wachten...

Succes

→ Winkelwagen bijgewerkt

Info

→ Winkelwagen bijgewerkt

Succes

E-mail verzonden!

Fout

E-mail niet verzonden!

Fout

Artikel niet meer op voorraad!

Fout

Succes

Succes

Fout

Kunst en psychiatrie

Gedurende mijn laatste opname in een psychiatrische kliniek kreeg ik van mijn begeleidend therapeut een kopie van het volgend schrijven; overgenomen uit het maandblad: “ geestelijke volksgezondheid” juni 2000.

Kunstenaarschap en geestesziekten

Over de relatie tussen kunstenaarschap en geestesziekten is veel gespeculeerd. Zo zouden kunstenaars kwetsbaarder zijn voor geestesziekten. Ze blijken meer aan bipolaire stoornissen te lijden en vaker suïcide te plegen dan de doorsnee bevolking. Aan de andere kant komt men in de psychiatrie mensen tegen met bijzondere talenten voor scheppend werk. Aan hun kunstuitingen worden aparte exposities gewijd. Nadere verkenning naar de vraag naar een mogelijke relatie tussen kunstenaarschap en geestesziekten doet vermoeden dat de veelal gepassioneerde karakterstructuur van kunstenaars predisponeert tot “onwelbevinden” of “lijden”. In een milde vorm zou dit lijden mensen aanzetten tot creatieve expressie. In ernstige vorm belemmert het hen in hun autonome functioneren. Deze veronderstelling wordt hier nader geëxploreerd.

“Groots en meeslepend wil ik leven”, dichtte Marsman. Het is de reactie van een jongeman op de raad van zijn vader zich niet te laten leiden door hartstocht. De jongen slaat de waarschuwing in de wind. hij volgt zijn passies. In het gevoelsleven van mensen bestaan twee tendenties. Enerzijds neigt de mens er toe zich over te geven aan zijn gevoelens en strevingen. Dit leidt tot enthousiasme en passie. Anderzijds probeert hij zijn gevoelens en strevingen te beheersen. Dit leidt tot aanpassing aan zijn omgeving. Hippocrates gebruikte in dit verband het beeld van een balans. De verschillende temperamenten zouden volgens hem voortvloeien uit specifieke verhoudingen tussen verschillende lichaamsvochten. Het model van Cloninger ( 1993) lijkt een moderne variant hierop. Ook Rümke (1971) spreekt over een balans. Hij onderscheidt twee typen: mensen bij wie de drang tot controle en zelfhandhaving overheerst, en mensen die zich vooral laten leiden door hun gevoelens. Het eerste type kenmerkt zich door logisch denken, redelijkheid en zin voor werkelijkheid. Bij het tweede staan subjectiviteit en zorgeloosheid op de voorgrond. Uit balans raken betekent volgens Rúmke bewegen in de richting van ziekte. Dit kan ofwel tot uitdrukking komen in een excessieve zucht tot controle, ofwel juist tot het tegenovergestelde: excessief toegeven aan gevoelens en b.v. gebrek aan werkelijkheidszin. Ook in de christelijke deugdenleer komen we deze balansstoringen tegen, onder de noemer “ondeugden”. Tegenover de ondeugden staan de deugden. De christelijke deugdenleer sluit aan bij het aristotelische denken. Daarin wordt ervan uitgegaan dat elke deugd het midden houdt tussen twee ondeugden. Een deugdzaam mens bewandelt de gulden middenweg: hij zoekt een compromis tussen uitersten. Door deugdzaam te leven wordt zijn leven en zijn bestaan veilig en degelijk, maar tegelijk ook voorspelbaar, en soms saai.

Speculaties

Volgens de psycholoog Heymans ( 1929) zijn creatieve, artistieke, gepassioneerde mensen actief, emotioneel en secundair reagerend. Ze durven de gulden middenweg te verlaten en zich, meer dan de doorsnee mens, te laten leiden door gevoelens en strevingen. Fokke ( 1996) noemt creativiteit een vorm van begaafdheid waarbij het individu zich durft te onttrekken aan het bekende en bestaande. De gulden middenweg verlaten is niet zonder risico. Volgens Heymans (1929) krijgen gepassioneerde mensen relatief vaak te kampen met psychische stoornissen. Mensen als Lord Byron, Van Gogh, Schumann, Achterberg en Biesheuvel worden vaak genoemd als voorbeelden van geesteszieke kunstenaars. Omgekeerd zouden sommige psychiatrische patiënten bijzondere artistieke kwaliteiten hebben. Zo concludeerde Lombroso (1864) op basis van onderzoek dat de producten van geesteszieken overeenkomsten vertonen met die van kunstenaars en dat kunst en waanzin aan elkaar verwant zijn. Ook kunstkenners herkennen soms bijzondere kwaliteiten in het scheppende werk van psychiatrische patiënten. Hun verbeeldingskracht zou vooral tijdens een psychose ongeremd naar buiten komen. Daardoor leggen ze een grotere eerlijkheid en vitaliteit aan de dag dan gewone stervelingen.. Debuffet (1949) stelt dat hun creaties een weerspiegeling zijn van het artistieke proces in zijn zuiverste vorm, omdat het alleen maar gevoed wordt door innerlijke impulsen. Hij noemde hun werk “art brut”. Dit heeft ertoe geleid dat er tentoonstellingen worden gehouden en musea zijn gesticht, speciaal voor het werk van psychiatrische patiënten. Gabriëls (1996) heeft kritiek op deze benadering van artistiek werk van psychiatrische patiënten. Ze geeft kunstenaars die geestesziek zijn een status aparte en marginaliseert hen zo. Bij een volwaardige esthetische erkenning van een kunstuiting doet de mentale toestand van de kunstenaar er niet toe. Sommige psychiaters en psychologen gaan ervan uit dat de creatieve uitingen van patiënten een bijdrage kunnen leveren aan de psychiatrische diagnostiek. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen bij deze opvatting vraagtekens geplaatst worden. Er bestaan nauwelijks theorieën over de diagnostische waarde van werk van geesteszieken. Natuurlijk zal er een verband bestaan tussen iemands mentale toestand en de stijl van zijn of haar creatieve uitingen. Maar in hoeverre is de afwijkende stijl van het scheppend werk van een geesteszieke het product van diens onvermogen of onwil in het spoor van het “normale” te lopen?

Edgar Allan Poe, die aan “melancholie” leed, schreef: “mensen hebben gezegd dat ik gek ben. Maar de vraag blijft of gekte niet de hoogste vorm van intelligentie is en of datgene wat diepgang heeft niet voortkomt uit “ziekten van het denken” en uit stemmingen van de geest die uitstijgen boven en ten koste gaan van de doorsnee intelligentie”. De dichter Rutger Kopland beantwoordt Poe’s vraag ontkennend. Het leggen van een verband tussen geestesziekte en creativiteit past in het denken van antipsychiaters. Psychiatrisch gestoorde mensen werden ten tijde van de antipsychiatrie, aan het einde van de jaren zestig, geïdealiseerd als mensen die een creatief antwoord hadden gevonden op een verziekte maatschappij. Daarmee werden ze in zekere zin benijdenswaardig. Kopland verzet zich tegen de opvatting dat poëzie en ziekelijke incoherentie te herleiden zouden zijn tot een en dezelfde geestesgesteldheid. In de biologische psychiatrie die ziekte associeert met een defect, een vorm van kwetsbaarheid ofwel een kapotte machine, is deze opvatting volstrekt onhoudbaar. Poëzie is, volgens Kopland, niet bedoeld om ons in contact te brengen met irrealiteit, fictie en dromerij, maar om ons te confronteren met onze eigen realiteit, onze non – fictie en ons bewustzijn. Soms is de taal van een psychotische patiënt te decoderen, zal ze mensen aanspreken en zullen mensen er iets in herkennen. Maar psychotische taal is geen poëzie. Uiteraard bestaan er gekke dichters of dichterlijke gekken. Maar de hoedanigheid van dichter en die van psychiatrisch gestoorde is fundamenteel verschillend. Over het algemeen bevordert een psychiatrische ziekte de creativiteit niet. Integendeel, ze remt de concentratie, de beheersing en het doorzettingsvermogen. Kopland sluit daarmee aan bij de opvatting van Tachtigers over kunst: “Kunst is passie; het talent moet haar beheersen”. Jamison deelt Koplands mening, maar maakt een uitzondering voor de hypomanie. Hypomane mensen blijken als gevolg van hun ontremming meer klankassociaties, alliteraties, synoniemen en idiosyncratische woorden te produceren dan mensen zonder deze aandoening. Jamison concludeert dat tijdens hypomanie iemands emotionele en cognitieve toestand zodanig verandert dat er gemakkelijk unieke creatieve ideeën en associaties ontstaan. Wellicht om een soortgelijke reden probeerde sommige romantische kunstenaars,zoals Baudelaire en De Quincey, bij zichzelf enige ontremming te bewerkstelligen door middel van opium of hasj. Ze zagen in drugs een mogelijkheid om de diepere lagen van hun beleving te verkennen. Volgens Baudelaire intensiveerden drugs zijn poëtische ervaringen; de deuren van zijn waarneming zouden er wijder door geopend worden. Moderne hersenonderzoekers betwijfelen dit overigens.

Recent wetenschappelijk onderzoek

De laatste twintig jaar is er ook wetenschappelijk onderzoek gedaan naar een verband tussen artisticiteit en geestesziekte. Andreasen vergeleek dertig beroemde schrijvers met een controlegroep van niet – kunstenaars. Bij de schrijvers vond ze een significant hoger percentage psychiatrische stoornissen, vooral stemmingsstoornissen en alcoholisme. Tachtig procent van hen had tenminste één keer een ernstige depressie, hypomanie of manie doorgemaakt; 43 % had een geschiedenis van recidiverende hypomanieën of manieën. ook bij familieleden van de schrijvers zag Andreasen vaker deze ziekten dan bij een controlegroep. Ludwig meldt soortgelijke bevindingen bij 59 schrijvers. Akiskal interviewde twintig gelauwerde Europese schrijvers, dichters, schilders en beeldhouwers. Bij tweederde van hen vond hij pathologische stemmingsstoornissen en een neiging tot hypomanie. De helft had geleden aan een ernstige depressie. Uit deze en andere studies blijkt dat bij kunstenaars tot achttien keer vaker suïcide voorkomt dan in de doorsnee bevolking, tot tien keer vaker depressie, en tot twintig keer vaker een manisch – depressieve stemmingsstoornis (Jamison.) Een correlatie tussen creativiteit en stemmingsstoornissen betekent uiteraard nog niet dat er ook een causaal verband bestaat. Kunstenaars en mensen met bipolaire stoornissen zouden op emotioneel gebied iets met elkaar gemeen kunnen hebben dat zowel predisponeert voor creativiteit als voor manie of depressie. Het zou kunnen dat kunstenaars, meer dan doorsnee mensen, open staan voor eigen gevoelens en strevingen en dat deze begaafdheid hen tegelijk kwetsbaarder maakt voor manie, depressie en suïcide. Om deze hypothese te toetsen deed Jamison psychologisch onderzoek bij een groot aantal kunstenaars. Ze vond een bevestiging voor genoemde hypothese. In vergelijking met een controlegroep scoorden de kunstenaars zowel hoger op schalen voor zelfvertrouwen en ik – sterkte, alsook op schalen voor somberheid en angst.

Het geval Schumann

Robert Schumann wordt vaak genoemd als voorbeeld van iemand die uiterst begaafd was als componist, en anderzijds leed aan een ernstige bipolaire stoornis. Hij deed tweemaal een serieuze suïcidepoging en overleed in een psychiatrische inrichting door voedselweigering. Ook zijn ouders leden aan depressies. Twee familieleden van hem pleegden suïcide. Een van zijn zonen verbleef dertig jaar in een psychiatrische inrichting. Jamison onderzocht in welke perioden van zijn leven Schumann het meest productief is geweest door zijn opusnummers en zijn ziekte – episoden te plaatsen op een tijdsas. Hieruit blijkt dat Schumann tijdens zijn hypomaniakale episode van 1840 25 composities heeft voltooid en tijdens die van 1849 27, tegen in andere jaren nul tot vijf. Hoe begaafd Schumann ook was, hij is vanwege zijn bipolaire stoornis niet te benijden. Als hij nu had geleefd, zou hij geïndiceerd zijn geweest voor een medicamenteuze behandeling. Maar tegelijk rijst de vraag of het slikken van deze middelen afbreuk zou hebben gedaan aan zijn vermogen om te componeren. Remmen psychofarmaca de creativiteit, zoals Thevoz beweert? Een antwoord is bij gebrek aan onderzoek hiernaar niet te geven. Het enige dat we er nu van kunnen zeggen is dat Schumann tijdens zijn depressies niets heeft gecomponeerd en dat er helemaal geen composities meer van zijn hand zijn verschenen toen zijn depressie chronisch was geworden en hij in een gesticht was terechtgekomen. Psychofarmaca zouden de fatale afloop van zijn ziekte hebben vertraagd. Daardoor zouden de periodes waarin Schumann wel componeerde wellicht langer zijn geworden. Maar zou Schumann zelf hebben gekozen voor een medicamenteuze behandeling,wanneer hij had geweten dat medicatie soms een afvlakking veroorzaakt van creativiteit, een negatief effect kan hebben op het geheugen en een vertraging in de informatieverwerking tot gevolg kan hebben?

Slot

Keren we terug naar de jongeman uit het gedicht van Marsman. Hij liet zich leiden door zijn jeugdige gepassioneerdheid. Zijn vader waarschuwde hem ervoor. Het was zijn autonome keuze om er toch op uit te trekken, met alle risico’s van dien. “Zonder zich te beraden stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees,” aldus de dichter. Ook kunstenaars zijn geneigd de veilige middenweg te verlaten, ook al weten ze niet precies waar ze uit komen. Het zijn vaak gepassioneerde mensen, met persoonlijkheidskenmerken “hoge emotionaliteit” en “secundair reageren”, aldus Heymans. Deze combinatie van karaktereigenschappen predisponeert tot negatief welbevinden, zoals Visse aantoonde. Wellicht had Kiergaard dit soort onwelbevinden voor ogen toen hij dichters beschreef als ongelukkige lieden wier hart verscheurd wordt door diep verborgen pijn en smart, maar met lippen, zo ongewoon gevormd, dat hun hartenkreten voor buitenstaanders klinken als liefelijke muziek. ook Kant wist uit persoonlijke ervaring dat er een verband bestaat tussen lijden en de wil om tot creatieve prestaties te komen. Lijden is misschien wel de enige bron om zo’n grote wilskracht te kunnen ontwikkelen dat men tot het scheppen van iets nieuws in staat is. Een milde vorm van lijden invalideert volgens Kierkegaard en Kant kennelijk niet, maar zet aan tot artistieke uitingen. Het ernstige lijden ten gevolge van psychiatrische ziekten stimuleert daarentegen niet, maar belemmert de zieke in zijn functioneren. Met de eerste vorm van lijden heeft de psychiatrie geen bemoeienis, met de tweede wel. Waar de grens ligt tussen beide is aan de kunstenaar/patiënt.

Terug omhoog